nieuws

|
11 juli 2019

VN-vredesoperaties hebben Europese capaciteiten nodig

 

Interview met Jean-Paul De Coninck

De Belgische generaal Jean-Paul De Coninck was in 2017 en 2018 de militaire bevelhebber van de VN-vredesoperatie in Mali. Hij pleit voor een grotere Europese rol in VN-vredesoperaties, maar toont zich tegelijkertijd ook kritisch voor de rol van de VN-Veiligheidsraad. “Er is vaak een enorm onevenwicht tussen de beschikbare middelen en het mandaat. VN-vredesoperaties moeten allerlei taken uitvoeren, zonder dat ze hiervoor de nodige middelen krijgen.”

 

Sinds enkele jaren is er sprake van een zogenaamde Europese terugkeer naar VN-vredeshandhaving, in het bijzonder in Mali. Hoe duurzaam is die trend? En meer algemeen, hoe ziet u de toekomst van VN-vredesoperaties en Europese bijdragen daarin?

Jean-Paul De Coninck: Een Europese terugkeer? Slechts enkele Europese landen zijn de afgelopen jaren teruggekeerd. In Mali gaat het over Zweden, Duitsland, België en Nederland. Dat is het zowat, een paar enkelingen uit andere landen niet te na gesproken.

In al deze landen was er in de eerste plaats sprake van politieke druk om iets te doen in de Sahel. Ze waren allemaal ook, niet toevallig, kandidaat voor een zetel in de VN-Veiligheidsraad. Meer moet je daar niet achter zoeken.

De terugkeer van sommige Europese landen was vooral een campagne-instrument voor een VN-Veiligheidsraadzetel, eerder dan een doordachte strategische keuze of heroriëntatie.

 

Wat het motief ook was, denkt u dat de uiteindelijke Europese deelname aan bijvoorbeeld MINUSMA stilaan zorgt voor een veranderende houding tegenover VN-vredesoperaties in Europese legers, na een aantal debacles in de jaren 1990?

Jean-Paul De Coninck: In Europese hoofdsteden zijn ze zich meer bewust van de nood om iets te doen in de Sahel. Zowel met militaire als niet-militaire capaciteiten. Maar je van iets bewust zijn is één ding. Een volgehouden politieke wil en militaire capaciteit is nog iets anders.

Hoe dan ook, VN-vredesoperaties hebben die Europese capaciteiten nodig. Wij kunnen bepaalde kritieke middelen leveren die Afrikaanse of Aziatische landen niet of te weinig hebben, bijvoorbeeld inlichtingen, helikopters, luchttransport. Zonder Europese capaciteiten liggen die operaties plat.

 

Is er dan vooral een toenemende nood om iets te doen in de Sahel, of ook een breder geloof in VN-vredesoperaties tout court?

Jean-Paul De Coninck: In Europese hoofdsteden is er vooral een toenemend inzicht dat ze meer moeten doen in de Sahel. Op vlak van drie pijlers, welteverstaan: veiligheid, ontwikkeling en politiek. Er staan immers heel wat Europese belangen op het spel in die regio.

Dus we moeten daar een geïntegreerde strategie hanteren. En VN-operaties zijn natuurlijk geschikter voor zo’n geïntegreerde strategie dan NAVO-operaties, die enkel en alleen om de veiligheidsdimensie draaien. MINUSMA is een goed voorbeeld van zo’n geïntegreerde, multidimensionale operatie.

 

Wat zijn volgens u de essentiële voorwaarden voor een succesvolle VN-vredesoperatie? Welke factoren zorgen ervoor dat een VN-vredesoperatie een duurzame impact kan hebben?

Jean-Paul De Coninck: Het grote probleem is dat er vaak een enorm onevenwicht is tussen de beschikbare middelen en het mandaat van de operatie. VN-vredesoperaties moeten vaak allerlei taken uitvoeren, zonder dat ze hiervoor de nodige middelen krijgen.

Mandaten van VN-vredesoperaties zijn te uitgebreid. Het probleem is meestal niet wat er niet in het mandaat staat, maar wel dat er veel te veel in staat. Alles staat erin, maar er zijn geen duidelijke prioriteiten.

Mandaten moeten een sterkere focus krijgen, zodat de mensen op het terrein duidelijk weten wat er verwacht wordt en wat de prioriteiten zijn. De specifieke verwoording van een aantal taken moet ook anders en duidelijker.

Daarnaast zijn zaken als decentralisatie van bevoegdheden en hervorming van de veiligheidssector erg belangrijk. Op die manier kan je hoop geven aan lokale gemeenschappen. Betrokken partijen zouden hun neuzen in dezelfde richting moeten krijgen, er moet sprake zijn van een gemeenschappelijke strategische doelstelling. Dat is echter makkelijker gezegd dan gedaan.

 

De afgelopen jaren vonden verschillende grote denkoefeningen plaats over de toekomst van VN-vredesoperaties. Hoe kijkt u naar al die rapporten?

Jean-Paul De Coninck: Neem het HIPPO-rapport (het High-Level Independent Panel on UN Peace Operations, een grote evaluatie van VN-vredesoperaties uit 2015, nvdr). Een zeer goed rapport, iedereen spreekt erover. Maar wie heeft er iets mee gedaan? Niemand.

Een belangrijk ander rapport is het Dos Santos-Cruz rapport. Het neemt veel ideeën van het HIPPO-rapport over, maar is geschreven in militaire taal. Het gaat ook dieper in op het grote aantal doden onder VN-blauwhelmen, en doet belangrijke aanbevelingen om VN-operaties performanter te maken.

Dat rapport heeft heel wat in beweging gezet in New York. Er is duidelijk iets aan het veranderen. Niet snel genoeg, maar het gebeurt wel. Er was het Action4Peacekeeping-initiatief van de secretaris-generaal van de VN, de ‘Declaration of Shared Commitments’, en in de operaties zelf vinden ook wel veranderingen plaats.

 

Hoe belangrijk acht u de interactie met/betrokkenheid van lokale burgers en gemeenschappen voor het duurzame succes van een VN-vredesoperatie? 

Jean-Paul De Coninck: Dat is erg belangrijk, maar dit aspect ontbreekt nog te vaak binnen VN-operaties. We komen te weinig op het terrein.

Dat komt ook mede door het onevenwicht tussen de middelen en het mandaat. Interactie op het terrein wordt vaak nog gezien als te gevaarlijk en te kostelijk. En VN-operaties hanteren vooral een kostengerichte logica, eerder dan een impactgerichte logica.

Dat is problematisch: interactie met lokale partners heeft een kost, maar we kunnen simpelweg geen resultaten boeken zonder hen.

Daarbovenop komt dat veel VN-personeel slechts een paar jaar meedraait in een bepaalde operatie, waardoor ze zich te weinig verdiepen in de specifieke, lokale context.

 

Tot slot, welk centraal advies zou u meegeven aan de onderhandelaars van een nieuw federaal regeerakkoord, als het gaat over een Belgisch vrede-en veiligheidsbeleid?

Jean-Paul De Coninck: Wij moeten betrouwbare partners blijven, op lange termijn. In België hebben we daar echter veel te weinig aandacht aan besteed. Om de vijf jaar wordt er opnieuw een visie ontwikkeld. Het ontbreekt België aan een langetermijnperspectief en visie.

Zo’n langetermijnperspectief, zowel in het militaire als het niet-militaire luik, is nochtans cruciaal. Je moet dus niet enkel middelen vrijmaken voor één of twee jaar, louter omdat je een zetel in de Veiligheidsraad in de wacht wil slepen. Als het België en andere Europese landen menens is met bijdragen aan VN-vredesoperaties, moeten ze er ook structurele middelen voor vrijmaken.

 

Interview: Willem Staes

 

partners