nieuws

|
11 juli 2019

We hopen op meer middelen voor vredesopbouw van de volgende regering

Interview met Bertrand de Crombrugghe

Pax Christi Vlaanderen sprak met Bertrand de Crombrugghe, een Belgische diplomaat met een lange staat van dienst, die momenteel aan het hoofd staat van de dienst Vredesopbouw van de FOD Buitenlandse Zaken. “Natuurlijk kan je meer doen als je meer middelen hebt. We zullen dat ook voorstellen aan de volgende regering. In de tussentijd doen we wat we kunnen, met de middelen die we hebben.”

 

In 2015 daalde het beschikbare budget voor de Belgische basisallocatie Vredesopbouw met zo’n 67,5 %, van 14,8 miljoen (in 2014) naar 4,8 miljoen euro. Indien men de hele periode tussen 2005 en 2019 in rekening neemt, is er sprake van een nog drastischere daling van de beschikbare middelen, met 79,5 %. Kan België met zo’n bescheiden bedragen op een geloofwaardige manier claimen een ‘vredesbouwer’ te zijn?

Bertrand de Crombrugghe: Je moet zulke cijfers altijd met een zekere voorzichtigheid benaderen. Vroeger gaven we meer uit, maar liepen we ook het risico op een ‘opeenstapeling’ van lopende engagementen uit eerdere jaren, die risico met zich meebracht en een sanering van de toestand noodzakelijk maakten.

Maar het klopt natuurlijk dat we vroeger meer uitgaven voor de budgetlijn Vredesopbouw. In de door u geciteerde periode was er uiteraard ook de financiële crisis van 2007-2008, en lange perioden van budgettaire voorzichtigheid en lopende zaken. Maar ik stel tegelijk ook vast dat het beschikbare budget sinds 2015 standvastig en stabiel is gebleven, en het probleem van de ‘opeenstapeling’ is ook geregeld geweest. Dat is belangrijk om te benadrukken.

 

Feit blijft dat, specifiek voor vredesopbouw, het allemaal wel erg bescheiden blijft.

Bertrand de Crombrugghe: België blijft een land met slechts 11 miljoen inwoners. Dus we zullen nooit de uitgaven van bijvoorbeeld Duitsland, Frankrijk, Canada of de Verenigde Staten kunnen evenaren.

Daarnaast moet wel opgemerkt worden dat we de laatste jaren meer uitgaven aan andere budgetposten, zoals humanitaire hulp en maatschappijopbouw. Alle verschillende diensten coördineren hun acties en ondersteunen elkaars werk. We geven ook veel kernfinanciering aan verschillende VN-agentschappen, wat ons een populaire en betrouwbare donor maakt binnen het VN-systeem.

We proberen altijd samen te werken met andere donorlanden om op die manier een soort hefboomeffect en synergieën te creëren. Ook de samenwerking met de lokale civiele maatschappij is erg belangrijk om zo’n synergieën te bereiken. We hebben niet de pretentie om te beweren dat België op een bepaalde plek even in zijn eentje vrede gaat creëren.

Het is ook niet zo dat je automatisch meer impact hebt als je meer geld uitgeeft. Maar natuurlijk kan je meer doen als je meer middelen hebt. Daarom zouden we graag meer financiële middelen zien voor onze projecten. We zullen dat ook voorstellen en bepleiten bij de volgende regering. In de tussentijd doen we wat we kunnen, met de middelen die we hebben.


Hoe worden projecten voor Vredesopbouw geselecteerd binnen het huidig budgettair kader?

Bertrand de Crombrugghe: Een overzicht van alle geselecteerde projecten is publiek beschikbaar op onze website. Bij de selectie van projecten hanteren we een heldere en transparante procedure. Elk jaar publiceren we geüpdatete richtlijnen op onze
website, die een aantal thematische en geografische prioriteiten en vormelijke vereisten bevatten.

In 2019 geven we bijvoorbeeld prioriteit aan projecten in de Sahel, de Grote Meren-regio, Tunesië en Irak en Syrië. Thematisch moeten ingediende projecten in lijn liggen met de themaprioriteiten die we naar voren schoven tijdens onze campagne voor een zetel in de VN-Veiligheidsraad, zoals bijvoorbeeld de bescherming van burgers en de rechten van vrouwen en kinderen.

Vervolgens maakt de administratie een eerste inschatting en verzamelen we input van onze thematische experten en van onze diplomatieke diensten in de betrokken gebieden. Dan komt een speciaal comité samen dat een advies opstelt aan de minister van Buitenlandse Zaken, die het laatste woord heeft.

In 2019 hadden we meer dan 220 aanvragen voor projecten. Daar zaten enorm veel goede projecten tussen, die we jammer genoeg niet allemaal konden financieren.

 

Hoe wordt de impact van de door jullie dienst gefinancierde projecten gemeten en geëvalueerd?

Bertrand de Crombrugghe: De evaluatie gebeurt voornamelijk door de ambassademedewerkers ter plaatse, aan de hand van de opgestelde criteria in de richtlijnen die we publiceren op onze website.

De uitbetaling van de fondsen gebeurt ook in schijven, zodat een tweede schijf pas uitbetaald wordt als het gebruik van de eerste schijf positief geëvalueerd wordt.

 

Zijn er bepaalde ‘geleerde lessen’ die steevast opduiken bij de evaluatie van projecten?

Bertrand de Crombrugghe: De evaluatie gebeurt vooral op een geval-per-geval-basis. Het is niet zo dat we over één groot evaluatierapport van de afgelopen tien jaar beschikken. Maar de evaluatie van individuele projecten van de afgelopen jaren is in
het algemeen wel erg positief.

Wat alleszins steevast opduikt als een sterk punt van onze financiering, is de hoge mate van flexibiliteit. We financieren immers vaak projecten die zich afspelen in instabiele gebieden, die gekenmerkt worden door een hoge mate van onzekerheid over de toekomst. We proberen dus in te spelen op concrete kortetermijnnoden.

Vredesopbouwprojecten zijn ook, inherent, meer gericht op processen dan op specifieke resultaten of diensten. Je investeert in de eerste plaats in de versterking van menselijk kapitaal, van sociale cohesie. Het bijeenbrengen van mensen die samenwerken aan een project heeft vaak op zich al een positieve impact op de sociale cohesie.

Vredesopbouw is dus een veel ‘kwalitatiever’ proces dan bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking op lange termijn, waarbij je veel meer met kwantitatieve indicatoren kan werken.

 

Tot slot, welke andere Europese landen spelen een voortrekkersrol inzake vredesopbouw? Zijn er bepaalde landen waar België nog iets kan van leren?

Bertrand de Crombrugghe: Geen enkel land heeft de waarheid in pacht. Dat is wel duidelijk. Soms boek je een succes, soms niet. Dat hangt van heel veel verschillende factoren af. Er is daarom ook een voortdurende dialoog en uitwisseling van ervaringen tussen de verschillende EU-lidstaten. In Brussel, Genève, New York, noem maar op.

Maar ik denk dat alle Europese landen met gelijkaardige dilemma’s kampen. Het evenwicht tussen de korte en de lange termijn is zo’n dilemma. De humanitaire noden zijn bijvoorbeeld nog nooit zo hoog geweest, dus sommigen stellen dat je beter meer middelen vrijmaakt voor humanitaire hulp op korte termijn. Wat natuurlijk onvermijdelijk een impact heeft op de financiering voor projecten met een langeretermijnperspectief.

Maar je kan natuurlijk ook omgekeerd redeneren: als je voortdurend de brand in je huis aan het blussen bent, kom je niet toe aan het brandveilig maken van het huis. En dus ook niet aan het voorkomen van de volgende brand.

Daarom maken we veel geld vrij voor projecten die gericht zijn op maatschappijopbouw, die flexibel worden ingezet maar een langeretermijnperspectief hebben en meer gericht zijn op het aanpakken van de grondoorzaken van conflict.

Die middelen voor maatschappijopbouw worden niet door mijn dienst beheerd, maar door een dienst binnen het Directoraat- Generaal Ontwikkelingssamenwerking. We hebben wel voortdurend overleg en coördineren onze inspanningen.

Daarnaast denk ik dat de meeste Europese landen erkennen dat een nauwe samenwerking met lokale middenveldorganisaties cruciaal is. Vanuit Belgisch perspectief wil ik daar nog aan toevoegen dat voor ons cofinanciering met andere donoren erg
belangrijk is.

Kortom: het is een voortdurende zoektocht naar wat onze meerwaarde is in een specifieke context, en hoe we optimaal kunnen inspelen op de expertise van lokale actoren.

 

Interview: Willem Staes

partners