nieuws

|
11 juli 2019

Er is binnen de VN-vredesoperaties veel ten goede veranderd sinds de jaren 1990

Interview met Marc Pecsteen, Belgisch vertegenwoordiger bij de VN-Veiligheidsraad

Als vertegenwoordiger in New York beslist Marc Pecsteen mee over de mandaten van VN-vredesoperaties. “De VN heeft veel geleerd uit het verleden, onder meer inzake de modus operandi en de werkmethodes van vredesoperaties. Er zijn veel goede
zaken gebeurd om VN-operaties sterker te maken”, stelt Marc Pecsteen in een gesprek met Pax Christi Vlaanderen.

 

Op welke manier heeft België de afgelopen maanden zijn stempel gedrukt binnen de VN-Veiligheidsraad? In welke dossiers maakte België al het verschil?

Marc Pecsteen: We hebben ons al enkele maanden kunnen profileren binnen de VN-Veiligheidsraad. Dat doen we op verschillende manieren.

Enerzijds door onze stijl. We proberen onze tussenkomsten altijd kort, concreet en to the point te houden. Debatten binnen de Veiligheidsraad moeten leiden tot concrete resultaten. Het mag niet enkel een tribune zijn voor mooie speeches.

Anderzijds proberen we ook het verschil te maken in een aantal inhoudelijke dossiers. Een eerste aandachtspunt is de Europese dimensie. We proberen binnen de Veiligheidsraad zoveel mogelijk met één Europese stem te spreken en gezamenlijke
initiatieven te nemen. De politieke context is daarvoor gunstig, aangezien er naast de twee permanente Europese leden (Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, nvdr) momenteel ook drie niet-permanente Europese leden zijn (België, Polen en
Duitsland, nvdr). Daardoor bezet Europa op dit moment een derde van de vijftien zetels.

Ten tweede besteden we bijzondere aandacht aan de situatie van kinderen in gewapend conflict. We zijn voorzitter van de desbetreffende werkgroep van de Veiligheidsraad en proberen deze kwestie zoveel mogelijk te integreren in alle debatten van de Raad, ook bij de bespreking van de mandaten van VN-vredesoperaties.

Een derde kwestie is de humanitaire situatie in Syrië. Samen met Duitsland en Koeweit zijn we de ‘pen holders’ ter zake, wat betekent dat we initiatiefrecht hebben om humanitaire kwesties aangaande Syrië op de agenda te plaatsen of een nieuwe
resolutie ter zake voor te stellen. Zo zorgden we er de afgelopen weken voor dat de Raad twee keer bijeenkwam over de situatie in Idlib (Noordwest-Syrië).

 

Hebben bepaalde Belgische acties binnen de Veiligheidsraad ook echt al een concreet verschil gemaakt op het terrein, in het dagelijkse leven van burgers in conflictgebieden?

Marc Pecsteen: “De Verenigde Naties werden niet gecreëerd om ons naar de hemel te brengen maar om ons te redden van de hel”, zei voormalig VN-secretaris-generaal Dag Hammarskjold ooit…

Tegen deze achtergrond moet je de Veiligheidsraad dan ook eerder zien als een facilitator, dan als een deus ex machina die alles in een vingerknip oplost. België probeert zo concreet mogelijk te zijn in alles wat we doen. We spelen onder andere een bemiddelende rol tussen bepaalde leden van de Veiligheidsraad, die soms toch een veeleer confronterende stijl hanteren. Zonder consensus die politiek gedragen is door de leden van de Raad, is doortastend optreden moeilijk.

Een concreet voorbeeld zijn de gezamenlijke inspanningen van België, Duitsland en Koeweit in de Veiligheidsraad, die het mogelijk maakten het Syrische regime en zijn bondgenoten ertoe te bewegen humanitaire konvooien in Rukban toe te laten en zo de bevolking broodnodige hulp te bieden.

 

Nu we bij het ‘terrein’ zijn aanbeland: Als we kijken naar de mandaten van VN-vredesoperaties, één van de kernopdrachten van de Veiligheidsraad, zien we dat er sinds enkele jaren sprake is van een bescheiden Europese terugkeer naar VN-vredeshandhaving. De VN-operatie in Mali (MINUSMA) bijvoorbeeld. Hoe duurzaam is die trend? En hoe ziet u de toekomst van VN-vredesoperaties?

Marc Pecsteen: Mali is inderdaad een goed voorbeeld van zo’n terugkeer, waar verschillende Europese landen deelnemen aan een VN-operatie. Dat kan natuurlijk verklaard worden door de geografische nabijheid, zo dicht bij Europa. Dat speelt zeker een rol.

Daarnaast is er ook de aard van het conflict: we hebben in Mali te maken met een grote terroristische dreiging, en worden dus geconfronteerd met een enorme veiligheidsuitdaging. MINUSMA is dus geen klassieke VN-vredesoperatie, het is bij uitstek een operatie die een robuust mandaat en voldoende capaciteiten nodig heeft.

Maar of die Europese ‘terugkeer’ een duurzame trend is, valt moeilijk te voorspellen. Momenteel denk ik van wel. De politieke wil is er. Hoe lang exact is moeilijk te voorspellen, maar ik zie het niet snel weer veranderen.


Europese landen zijn lange tijd erg terughoudend geweest tegenover deelname aan VN-vredesoperaties, zeker na een aantal fiasco’s in de jaren 1990. Denkt u dat er de afgelopen jaren iets fundamenteels veranderd is in de manier waarop VN-vredesoperaties functioneren, waardoor die Europese koudwatervrees is afgenomen?

Marc Pecsteen: Er is binnen de VN veel veranderd sinds de jaren 1990. Dat heeft een belangrijke rol gespeeld in die Europese terugkeer naar VN-vredesoperaties.

De VN heeft veel geleerd uit het verleden, onder meer inzake de modus operandi en de werkmethodes van vredesoperaties. Er zijn veel goede zaken gebeurd om VN-operaties sterker te maken. Dat is natuurlijk erg belangrijk voor een land als België, als we gevraagd worden om bij te dragen. Het Belgische leger is gewend aan NAVO-standaarden, en we verwachten gelijkaardige standaarden ook bij andere operaties waar we aan deelnemen.

Maar het zal natuurlijk nooit perfect zijn. Binnen een VN-operatie werk je met troepen uit veel verschillende landen, vaak met uiteenlopende niveaus van opleiding en uitrusting en met culturele verschillen.

Maar daar probeert de VN ook mee aan te verhelpen, bijvoorbeeld door te zorgen voor betere uitrusting en betere training. België draagt daar ook aan bij, bijvoorbeeld via het aanbieden van opleidingen aan troepen uit Franstalige landen.

 

Wat zijn volgens u de essentiële voorwaarden voor een succesvolle VN-vredesoperatie? Welke factoren kenmerken een effectief mandaat voor zo’n operatie?

Marc Pecsteen: Voor België is een goed mandaat in eerste instantie een mandaat dat gericht is op de ondersteuning van een politiek proces. Een effectief mandaat moet ook steeds gericht zijn op de bescherming van burgers. Dat is een belangrijke les uit het verleden, als we fiasco’s zoals Rwanda of Srebrenica in de toekomst willen vermijden.

Belangrijk is ook dat er aandacht wordt besteed aan de training en hervorming van veiligheidstroepen, en de ontwapening en re-integratie van voormalige rebellen. Dat moet natuurlijk geval per geval bekeken worden, maar het is toch iets waar we veel
aandacht aan besteden.

Een goed mandaat moet ook een duidelijke strategische visie hebben, met duidelijk gedefinieerde doelstellingen over het eindresultaat dat we willen bereiken. En ook de balans tussen doelstellingen en middelen is belangrijk. Als een mandaat te ambitieus is in verhouding tot de ter beschikking gestelde middelen, heb je natuurlijk een groot probleem. Maar dat is niet altijd een evidente oefening, zeker in een moeilijke budgettaire context.

Het is ook zo dat de invloed van niet-permanente leden op het mandaat van een VN-vredesoperatie beperkt is. Dat blijft toch vooral een kwestie voor de permanente leden (de Verenigde Staten, Rusland, China, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, nvdr). Als niet-permanent lid kan je enkele kleine accenten leggen, maar een mandaat echt significant beïnvloeden is erg moeilijk.

 

Een vaak gehoorde kritiek op mandaten van VN-vredesoperaties is dat ze in New York worden beslist, zonder duidelijk zicht op de specifieke context en over de hoofden heen van de lokale bevolking in het conflictgebied. Is dat een terechte kritiek?

Marc Pecsteen: De betrokkenheid van een lokale regering is natuurlijk erg belangrijk. Gewoonlijk wordt een mandaat dus rechtstreeks besproken met de regering van het land in kwestie.

Maar soms is dat niet het geval, bijvoorbeeld bij ‘Hoofdstuk VII’- mandaten die een militaire interventie autoriseren om de vrede te herstellen. In de praktijk is het echter erg moeilijk te werken als er geen steun is van het gastland.

 

De kritiek waarvan sprake gaat vooral over de gebrekkige betrokkenheid van lokale gemeenschappen en de lokale burgermaatschappij, eerder dan de betrokkenheid van de lokale machthebbers. Die eersten hebben immers vaak een beter zicht op de specifieke noden op het terrein. Wordt er in New York voldoende geluisterd naar die lokale expertise?

Marc Pecsteen: Het klopt dat dit nog te weinig gebeurt, ondanks het feit dat dergelijke expertise erg waardevol is. België besteedt hier ook aandacht aan in de debatten in de Veiligheidsraad. We benadrukken dat er meer moet samengewerkt worden met de lokale burgermaatschappij en met lokale gemeenschappen. Er zijn veel interessante operationele lessen te trekken uit hun expertise en inzichten.

 

De afgelopen jaren was er sprake van verschillende ‘reviews’ en nieuwe initiatieven om de werking van VN-vredesoperaties te verbeteren. Hoe belangrijk zijn die rapporten en initiatieven, en op welke manier zorgt België voor de concrete uitvoering van de aanbevelingen hierin?

Marc Pecsteen: De afgelopen jaren vonden er inderdaad verschillende belangrijke reviews en initiatieven plaats: het HIPPO-rapport uit 2015 over de toekomst van VN-vredesoperaties, het Cruz-rapport over de veiligheid van VN-blauwhelmen, het ‘Action4Peacekeeping’-initiatief van de VN-secretaris-generaal en de daaruit voortvloeiende ‘Declaration of Shared Commitments’.

België is een grote voorstander van deze initiatieven en we blijven dit actief promoten binnen de Veiligheidsraad. De belangrijkste aanbevelingen gaan onder meer over een betere opleiding, betere uitrusting, robuustere mandaten en een pro-actievere houding van de blauwhelmen op het terrein.

We nemen ook concrete initiatieven op nationaal niveau, bijvoorbeeld de introductie van mobiele trainingsteams in MINUSMA.


Dat zijn zaken die vooral betrekking hebben op de militaire dimensie van een operatie. Welke belangrijke politieke lessen ziet u?

Marc Pecsteen: De belangrijkste conclusie uit al deze rapporten en initiatieven is evident. Er moet altijd sprake zijn van een politiek proces, en een goed uitgebouwde civiele component van de vredesoperatie.

 

Tot slot, België voerde campagne onder het motto ‘Consensus smeden, bouwen aan vrede’. De afgelopen tien jaar was er echter sprake van een significante daling van het beschikbare budget voor de nationale budgetlijn Vredesopbouw, terwijl ook de Belgische bijdrage aan het VN-Vredesopbouwfonds beperkt blijft. Ondermijnt dat niet de Belgische geloofwaardigheid om zich internationaal te profileren rond vredesopbouw?

Marc Pecsteen: Onze reputatie als een land dat bijdraagt tot vredesopbouw is natuurlijk niet te herleiden tot enkel de omvang van onze portefeuille. Het feit dat wij als relatief klein land al voor de zesde keer in de Veiligheidsraad zitten, getuigt dat ons diplomatiek en politiek werk binnen de VN gewaardeerd wordt. Dat gezegd zijnde, blijft België in de top 20 in termen van bijdragen aan het VN-budget.

Het klopt dat de budgettaire context niet eenvoudig is. We proberen daarom nog meer op een doelgerichtere manier te werken dan vroeger en de VN efficiënter te maken.

 

De budgettaire context is momenteel natuurlijk wat hij is. Maar er lijkt toch sprake te zijn van een meer structurele en fundamentele trend, die zich aftekent over een langere periode van tien jaar, eerder dan een tijdelijke besparing.

Marc Pecsteen: Het is belangrijk te onderstrepen dat België, naast de directe financiële middelen voor vredesopbouw, ook op andere wijzen nadrukkelijk bijdraagt tot het bevorderen van vrede in de wereld.

Naast onze verplichte bijdrage geeft België jaarlijks nog heel wat vrijwillige bijdragen ten bedrage van 100 miljoen euro aan VN-fondsen, -programma’s en -agentschappen. Vorig jaar hebben wij nog 22 miljoen euro bijkomende vrijwillige bijdragen gestort.

 

Maar als het specifiek gaat over vredesopbouw is de Belgische bijdrage toch wel erg bescheiden? In het bijzonder als je kijkt naar het VN-Vredesopbouwfonds toch het paradepaardje van de VN inzake vredesopbouw. Is dat niet wat pijnlijk voor een land dat zich profileert als ‘vredesopbouwer’?

Marc Pecsteen: We komen misschien niet aan het niveau van de Scandinavische landen, maar we hoeven ons ook helemaal niet te schamen over onze bijdrage. Het kan natuurlijk altijd meer zijn, maar met een bijdrage van 8 miljoen euro zitten we op het niveau van Italië of China, en boven India en Frankrijk. Naast deze specifieke bijdragen, mag u vanzelfsprekend ook onze ‘core funding’, die rechtstreeks aan verschillende VN-organisaties wordt betaald, niet uit het oog verliezen.


Interview: Willem Staes

partners